Heffingsvrij vermogen Box 3 in 2026: wat betekent dit voor jou
Het heffingsvrij vermogen in Box 3 stijgt in 2026 naar €59.357 per persoon. Wat betekent dat concreet voor je belastingaanslag, en welke forfaitaire percentages gelden er dit jaar nog?
Wie spaargeld of beleggingen heeft, betaalt in Box 3 alleen belasting over het deel van het vermogen dat boven het heffingsvrij vermogen uitkomt. Dat bedrag stijgt in 2026 opnieuw. Hieronder de actuele cijfers en een rekenvoorbeeld.
Het heffingsvrij vermogen in 2026
Het heffingsvrij vermogen komt in 2026 uit op €59.357 per belastingplichtige, tegenover €57.684 in 2025. Heb je een fiscale partner, dan geldt het bedrag gezamenlijk verdubbeld: €118.714.
Dit is hoger dan het kabinet aanvankelijk van plan was. In het oorspronkelijke Belastingplan 2026 zou het heffingsvrij vermogen juist worden verlaagd naar €51.396, gecombineerd met een verhoging van het forfaitair rendement op overige bezittingen naar 7,78%. Op verzoek van de Tweede Kamer zijn beide maatregelen geschrapt, waardoor het heffingsvrij vermogen dit jaar juist is gestegen.
Los van het heffingsvrij vermogen gelden nog twee kleinere vrijstellingen: €672 voor contant geld (€1.344 voor partners) en €26.715 voor groene beleggingen (€53.430 voor partners). Die laatste vrijstelling wordt overigens fors afgebouwd: naar €200 per persoon in 2027, en volledig verdwenen per 2028.
De forfaitaire rendementspercentages
Zolang het huidige stelsel nog geldt — tot de beoogde invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 2028 — rekent de Belastingdienst met drie forfaitaire percentages per vermogenscategorie:
- Banktegoeden: 1,28% (voorlopig)
- Overige bezittingen (beleggingen, aandelen, obligaties, vorderingen, tweede woningen): 6,00% (definitief)
- Schulden: 2,70% (voorlopig)
Het percentage voor overige bezittingen staat al vast. De percentages voor bank- en spaartegoeden en voor schulden worden pas begin 2027 definitief vastgesteld; de Belastingdienst rekent voorlopig met de percentages hierboven bij het opleggen van de voorlopige aanslag.
Rekenvoorbeeld
Stel: je hebt €150.000 spaargeld en geen fiscale partner.
- Rendementsgrondslag: €150.000 (je bezittingen, hier alleen spaargeld)
- Grondslag sparen en beleggen: €150.000 − €59.357 (heffingsvrij vermogen) = €90.643
- Belastbaar rendement: €150.000 × 1,28% = €1.920
- Aandeel in de grondslag: €90.643 / €150.000 = 60,43%
- Voordeel uit sparen en beleggen: €1.920 × 60,43% ≈ €1.160
- Verschuldigde belasting: €1.160 × 36% ≈ €418
Heb je een mix van spaargeld, beleggingen en een schuld, dan bereken je stap 3 voor elke categorie apart met het bijbehorende percentage, tel je de uitkomsten bij elkaar op, en trek je vervolgens het rendement van je aftrekbare schulden (boven de drempel) af.
Wanneer loont de tegenbewijsregeling?
Is je werkelijke rendement in 2026 lager dan wat de forfaitaire percentages hierboven opleveren, dan kun je via de tegenbewijsregeling belasting betalen over je daadwerkelijke rendement in plaats van het forfaitaire. Let op: bij die berekening tellen ook ongerealiseerde waardestijgingen mee, bijvoorbeeld van een tweede woning of een aandelenportefeuille, óók als je deze nog niet hebt verkocht. En binnen de tegenbewijsregeling geldt geen heffingsvrij vermogen — het werkelijke rendement wordt over het volledige vermogen berekend.
Of de tegenbewijsregeling in jouw situatie voordeliger is, hangt dus sterk af van hoe je vermogen is opgebouwd en hoe je rendement zich verhoudt tot de forfaitaire percentages.
Voor de volledige juridische geschiedenis achter deze regeling — van het Kerstarrest tot de Wet werkelijk rendement — zie het volledige Box 3-dossier.