Trumps 10%-tarief overleeft eerste rechtszitting: rechters zien weinig in juridische aanval
Rechters lijken weinig overtuigd door de aanval op Trumps 10%-importtarief. Wat betekent dit voor Europese exporteurs?
Een speelgoedfabrikant, een specerijimporteur en 24 Amerikaanse staten proberen vrijdag het 10% globale importtarief van president Trump neer te halen. Na drie uur mondelinge pleidooien voor de U.S. Court of International Trade lijkt de poging op een mislukking af te stevenen, maar het verhaal is ingewikkelder dan een simpele overwinning voor de Trump-administratie.
Tweede poging, andere juridische fundering
Om te begrijpen wat er vrijdag in de rechtszaal op het spel stond, is de voorgeschiedenis onmisbaar. Het Hooggerechtshof vernietigde eerder dit jaar al Trumps eerste ronde handelstarieven. Die vernietiging dwong de Trump-administratie tot een heroverweging van de juridische grondslag voor haar tariefbeleid.
Het 10%-tarief dat nu ter discussie staat, rust op een andere wettelijke basis: een wet uit 1974 die de president toestaat om gedurende 150 dagen, zonder goedkeuring van het Congres, tarieven op te leggen wanneer sprake is van een zogenaamd balance of payments deficit, een probleem met de betalingsbalans van de Verenigde Staten. Dit is de tweede poging van de Trump-administratie, en de juridische architectuur is bewust anders opgezet dan de eerste ronde.
Het cruciale onderscheid: betalingsbalans versus handelsbalans
De kern van het juridische geschil draait om één begrip: het verschil tussen een balance of payments deficit en een trade deficit.
Advocaat Brian Marshall, die namens de eisers optrad, betoogde dat de Trump-administratie de wet uit 1974 misbruikt. Zijn redenering: economisten zijn het vrijwel unaniem eens dat een balance of payments deficit iets fundamenteel anders is dan een trade deficit (handelsbalanstekort). De wet vereist het eerste, maar het Witte Huis baseert het tarief op het tweede. Daarmee wordt de juridische grondslag voor het tarief ondermijnd.
Rechter Timothy C. Stanceu was zichtbaar onovertuigd. Hij duwde herhaaldelijk terug op het argument van Marshall en formuleerde het zo: "A fundamental international payments problem cannot be something where the United States has to pay out a lot of money. It can also be something where there is an imbalance created by large trade surpluses in which case they wanted to let more imports in."
Stanceu's redenering impliceert dat een structureel handelsbalansonevenwicht wél onderdeel kan zijn van een bredere betalingsbalansproblematiek. Als het panel die interpretatie volgt, ontvalt de eisers hun belangrijkste juridische argument. De drie rechters als geheel leken sceptisch over de aanval op het 10%-tarief.
Staten versus kleine bedrijven: wie mag überhaupt klagen?
Een tweede kwestie die de hoorzitting domineerde, is de standing: de juridische ontvankelijkheid van de eisers. Hier splitste het panel zich merkbaar.
De 24 deelstaten die mede-eiser zijn, stuitten op scepsis. Rechters beoordelen standing streng: een eiser moet een directe, concrete schade kunnen aantonen die het gevolg is van de aangevochten maatregel. Voor staten is dat moeilijker te construeren dan voor bedrijven die aantoonbaar hogere inkoopkosten betalen.
De twee kleine bedrijven, Basic Fun (producent van onder meer Care Bears en Lincoln Logs) en Burlap and Barrel (importeur van single-origin keukenspecerijen), stonden er gunstiger voor. Hun argumentatie is concreter: hogere importtarieven betekenen directe stijging van hun inkoopkosten, druk op marges en mogelijke doorberekening aan consumenten. Het panel leek meer oor te hebben voor hun positie, wat betekent dat de zaak mogelijk voortgezet kan worden via die eisers, ook als de staten buiten spel komen te staan.
Wat de 1974-wet mogelijk maakt
De wet waarop het 10%-tarief is gebaseerd, geeft de president een tijdelijk maar krachtig instrument. De 150-dagenclausule maakt het mogelijk om snel te handelen zonder parlementaire goedkeuring, wat het wapen bij uitstek is voor presidentiele handelspolitiek in crisistijden.
De oorspronkelijke bedoeling van de wet was het aanpakken van acuut valuta- of betalingsbalansproblematiek, niet het structureel hervormen van de handelspolitiek via importtarieven. Precies dat onderscheid vormt de basis van Marshalls betoog. De rechters lijken dat onderscheid echter minder dwingend te vinden dan de eisers hadden gehoopt.
Kosten voor huishoudens en gevolgen voor Europese export
De eisende partijen stelden dat het 10%-tarief kan bijdragen aan 1.000 dollar extra kosten per Amerikaans huishouden, door hogere prijzen op importgoederen die direct of indirect via supply chains bij de consument terechtkomen.
Voor Europese exporteurs is de uitkomst van deze rechtszaak van grote betekenis. Het 10%-tarief geldt breed en raakt sectoren van machinebouw tot voedingsmiddelen. Als het tarief overeind blijft, behoudt het de facto het karakter van een permanent handelsbelemmerend instrument, ook al werd het juridisch als tijdelijke maatregel opgezet.
Europese bedrijven die exporteren naar de VS, en de logistieke en financiële ketens die hen omringen, opereren in een omgeving van aangehouden onzekerheid. Zolang de juridische procedures lopen, blijft het tarief van kracht. Een definitieve uitspraak van het panel zal niet op korte termijn volgen: na de mondelinge pleidooien volgt doorgaans een schriftelijke uitspraak.
Vooruitblik
Het panel van de U.S. Court of International Trade doet schriftelijk uitspraak; een concrete datum is nog niet bekendgemaakt. Als de rechtbank het tarief toch ongeldig verklaart, is hoger beroep door de Trump-administratie nagenoeg zeker. De uiteindelijke beslissing over de rechtmatigheid van dit tweede tarief kan opnieuw bij het Hooggerechtshof belanden, dat eerder dit jaar al de eerste ronde handelstarieven vernietigde. Europese exporteurs en internationale handelsdeskundigen volgen de verdere procesgang nauwlettend.
Bronnen: U.S. Court of International Trade
Dit artikel is uitsluitend bedoeld ter informatie en vormt geen financieel, beleggings- of fiscaal advies. Today in Finance is geen beleggingsonderneming en beschikt niet over een vergunning als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (Wft). Raadpleeg altijd een gekwalificeerd financieel adviseur voordat je financiële beslissingen neemt. Today in Finance is niet aansprakelijk voor beslissingen genomen op basis van deze informatie.