Lijken de markten op 2008? Bank of America denkt van wel, en de vergelijking is ongemakkelijk
Hartnett (BofA): marktdynamiek 2026 lijkt op aanloop naar 2008. Olie meer dan 60% duurder, grote private creditfondsen blokkeren massale onttrekkingen. Twee parallellen die beleggers zorgen baren.
Michael Hartnett behoort tot de meest gevolgde strategen op Wall Street. Hij introduceerde de term Magnificent 7 voor de Amerikaanse techaandelen die jaren lang de markt domineerden. Nu introduceert hij een veel minder vrolijke term: het 2007-2008 analoog.
In een nota aan cliënten van Bank of America stelde Hartnett vrijdag dat de marktprestaties van 2026 "verontrustend dicht liggen bij de koersbewegingen tussen midden 2007 en midden 2008." De vergelijking is ongemakkelijk omdat iedereen weet wat er daarna kwam.
Twee parallellen die niet te negeren zijn
De kern van Hartnetts betoog rust op twee pijlers. De eerste is olie. Tussen juli 2007 en augustus 2008 verdubbelde de prijs van een vat van 70 naar 140 dollar. Sinds de Iran-oorlog op 28 februari uitbrak, is olie al meer dan 60% gestegen. De tweede pijler is private credit. Waar begin 2008 de subprimehypotheekmarkt begon te kraken, zie je nu scheuren in de private creditmarkt van circa 2 biljoen dollar.
Die scheuren zijn concreet. Morgan Stanley beperkte begin maart onttrekkingen aan zijn North Haven Private Income Fund nadat beleggers 10,9% van het uitstaande kapitaal wilden terugtrekken. Slechts 45,8% van die verzoeken, omgerekend 169 miljoen van de gevraagde 369 miljoen dollar, werd gehonoreerd. BlackRock deed hetzelfde bij zijn HPS Corporate Lending Fund, waar verzoeken ter waarde van circa 1,2 miljard dollar binnenliepen. Blue Owl ging nog verder en stopte terugkopen bij een retailfonds volledig.
Het echte risico zit niet waar je denkt
Wat Hartnetts analyse onderscheidt van de gemiddelde bearish take is zijn nuance over waar het gevaar precies zit. Niet inflatie is het grootste risico voor aandelen, betoogt hij, maar dalende bedrijfswinsten door stijgende energiekosten en verkrappende financiële condities. Dat is een subtiel maar belangrijk onderscheid. Inflatie kan een centrale bank bestrijden met renteverhogingen. Maar als de economie tegelijk vertraagt en winsten onder druk staan, wordt die remedie gevaarlijk.
Hartnett haalt daarvoor een historisch voorbeeld aan dat de ECB liever niet herinnerd wordt. Op de dag dat de olieprijs in juli 2008 zijn piek bereikte, verhoogde de ECB de rente. Dat bleek een van de grootste beleidsfouten in de moderne monetaire geschiedenis. Slechts 74 dagen later was de ECB gedwongen de rente met 325 basispunten te verlagen, nadat Lehman Brothers was gevallen en olie was gekelderd naar 40 dollar per vat.
Niemand weet het echt
De marktconsensus gaat er vooralsnog van uit dat de Iran-oorlog kort zal duren en dat de private creditproblemen niet systemisch zijn. Dat optimisme houdt beleggers long. Maar het is precies dat vertrouwen op reddende beleidsmakers dat Hartnett als risico benoemt.
De analogie met 2008 is niet perfect. Private credit is geen subprimemarkt. De bancaire balansen zijn steviger gereguleerd dan voor de financiële crisis. En het IEA heeft met een recordvrijgave van 400 miljoen vaten uit noodreserves laten zien dat overheden sneller kunnen ingrijpen dan in 2008.
Toch blijft de kernvraag onbeantwoord. Als olie hoog blijft en private credit verder kraakt, wat doet de ECB dan? Verhogen om inflatie te bestrijden, met het risico van 2008 te herhalen? Of verlagen om groei te stutten, en inflatie laten oplopen?
Die vraag beantwoorden ze in Frankfurt liever niet hardop.